De crisis voorbij

Het verhaal van Noömi en Ruth is niet alleen een verhaal van crisis en verdriet, maar vooral ook een verhaal vol hoop. Geen crisis zo diep dat er geen hoop meer zou zijn, lijkt het te willen zeggen. Uiteindelijk is dit een verhaal van graf tot wieg, en niet andersom.

De crisis gaat voorbij. Dat is mooi, maar het gaat niet zomaar. In het verhaal zien we op verschillende momenten dat de weg naar de toekomst niet rechtdoor gaat, het gaat niet alleen maar bergopwaarts. Het gaat steeds een beetje de goede kant op, om vervolgens toch weer tegen te vallen.

In Betlehem komt een eind aan de hongersnood, er wordt opnieuw geoogst. Maar door wie? Alleen door de maaiers of ook door een vrouw die daar op haar knieën door het veld gaat om de restjes bij elkaar te zoeken? Het verhaal vertelt weliswaar over een crisis die voorbijgaat, maar dat gaat niet zomaar. Dat zien we ook als Noömi teruggaat naar haar eigen stad. Haar thuiskomst brengt haar in eerste instantie geen geluk: ‘Noem mij maar Mara, bitterheid,’ zijn Noömi’s eerste woorden in Betlehem. (Overigens is dat ook meteen de laatste keer dat ze zo genoemd wordt, want de verteller blijft haar consequent Noömi noemen!) Aan Ruth legt ze uit dat je nog betrekkelijk gemakkelijk kunt zeggen dat je op weg bent naar huis. Maar voordat je kunt zeggen dat je thuis bent, is er heel wat meer nodig.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *