De hoofdpersoon

De verteller zet zijn luisteraars op het verkeerde been. Niet Elimelech is de hoofdpersoon van dit verhaal, en ook niet Machlon en Kiljon. En nee: ook niet Ruth (‘kameraad’), al is dit boek dan naar haar genoemd. Het gaat in dit verhaal in de eerste plaats om Noömi. Haar naam betekent zoveel als ‘mijn lieflijke’. Het is een naam die geluk met zich meedraagt. Maar in het verloop van het verhaal is dat geluk ver te zoeken. ‘Noem mij Mara,’ zegt Noömi later, ‘de verbitterde’. Haar ongeluk heeft een eind gemaakt aan wie ze geweest is en hoe ze zich voelde. Als kinderloze weduwe heeft zij niet veel van het leven meer te verwachten. Maar later in het verhaal verandert dat: haar bitterheid maakt plaats voor geluk. In het geluk van Noömi speelt Ruth een belangrijke rol. Zij is een Moabitische vrouw, getrouwd met Machlon, een van de zoons van Elimelech. Als Noömi besluit om terug te gaan naar Betlehem, besluit Ruth met haar mee te gaan. Ze spreekt de beroemd geworden woorden: ‘Jouw land is mijn land, jouw God is mijn God’. Ze verklaart zich zo diep verbonden met Noömi dat ze haar eigen leven daaraan ondergeschikt maakt. Wat deze Moabitische vrouw doet is zó indrukwekkend, dat de evangelist Matteüs haar naam (net als overigens die van Tamar, Rachab en de vrouw van Uria) later expliciet vermeldt in zijn verhaal over de afstamming van Jezus (Matteüs 1, 5).

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *